En France – september 2010

 

Het zal geen verrassing zijn maar ik kom graag in Frankrijk, liefst het zuiden maar de rest mag er ook zeker wezen. Natuurlijk omdat ik van de “typisch” Franse dingen als kaas, wijn, kunst en pittoreske pruttel dorpjes hou maar ook vanwege de mensen.
Ik heb een zwak voor die heerlijk chauvinistische inslag, gewoon doen alsof je nog steeds 1/3e van de wereld bezit en er vooral van uit gaan dat iedereen Frans spreekt. Ik moet ze nageven dat de laatste decennia deze kwaal enorm aan het afnemen is maar zeker in het zuiden zou ik mijn “do you speak English?” lekker in mijn broekzak houden.
Nu ben ik gezegend met én een aardig mondje Frans (vloeiend zelfs in beschonken staat van zijn) én een redelijk mediterraan uiterlijk.
Ik geniet ervan wanneer mij bij de supermarkt gevraagd wordt of ik een “carte de fidélité” bezit of wanneer ik op de ring van Avignon rijd en naast mij een wanhopige fransoos mij vraagt of dit de richting van St. Michel is….
“Je suis désolé messieur mais je suis une touriste ici moi-même, bonne journée. 
Ik was eens met een Amerikaanse vriend in Parijs en we werden achtervolgd door een stressbal poppetjes verkoper, mijn vriend deed echt zijn best maar “He had the word USA written all over him” zullen we maar zeggen. Dus ik verzocht de verkoper en français vriendelijk doch dringend ons met rust te laten maar nee ik moest mijn bek houden en me er niet mee bemoeien, aldus de verkoper, waarop ik zijn moeder uitgemaakt heb voor een hoer en vervolgens zijn zus en zijn vader voor een hond en dat ie zijn poppetjes daar kon steken waar de zon over het algemeen niet komt. Heerlijk, j’adore la douce !
Afgelopen zomer was ik er weer, in de Provence op een fantastische kleine camping bij een dorp waar we ’s ochtend brood haalden en een kopje gitzwarte koffie dronken. Ik ben dan zo iemand die op de camping standaard de mensen in het Frans begroet, al is het meestal pijnlijk duidelijk met welke nationaliteit je te maken hebt, maakt niet uit we zijn in Frankrijk.
Mijn vriend vindt dat ik overdrijf en zegt stug “hallo” en “goedenavond” tegen de mensen waarvan hij denkt dat het Nederlanders zijn tot grote ergernis van mij, ik hou graag de schijn op. Op een willekeurige ochtend zaten mijn vriend en ik gewapend met Hermans,  Reve, een croissant en koffie enorm belezen te wezen op “ons” terrasje. Dat terras ligt aan een langwerpig plein waar op woensdag markt en de rest van de week een parkeerplaats met zeer grote doorstroom is. Langs dit plein liggen meer terrassen, de slager, de bakker, een boekwinkel en de supermarkt, druk dus. Wij hadden uitzicht op de invalide parkeerplaats die naast de ingang van het plein ligt, waar die ochtend ineens een zeer Hollandse meneer met 3 jengelende kinderen en vouwwagen het nodig vond om dwars over de invalide plaats met zijn vouwwagen net te dicht bij de ingang stil te gaan staan.
Zónder zijn alles-mag-lichtjes te gebruiken!
Wij keken verwonderd toe hoe een aantal auto’s zich daar omheen manoeuvreerde en de man doodleuk uitstapte en op zijn autodeur ging hangen. Had ik al gezegd dat het druk was?
Na een minuut of 5 stopte er een Nederlandse auto naast hem, duidelijk vrinden, en ze begonnen met elkaar te kletsen. Wat de heren Hollanders alleen niet wilden zien of ze hadden er compleet schijt aan, ik vermoed dat laatste. Is dat er een enorme opstopping ontstond, de 2e auto versperde het verkeer uit 3 verschillende richtingen en liet een file ontstaan op de doorgaande weg. Ik had persoonlijk allang 6 x getoeterd en wellicht gebaren gemakt want het was ook nog eens 35 graden in de schaduw maar de fransen gaven de heren zeker een minuut voordat er een besloot zijn claxon te gebruiken. De eerste man kijkt woest op van zijn gesprek, kijkt naar de chaos aan auto’s links van hem, steekt zijn middelvinger op en overlegt rustig verder. “Nee, geen cola light, doe mij maar gewone cola”
Mijn vriend zit naast me en had op dat moment het allerliefst parkeeragent geweest, maar de fransen blijven zeker nog een halve minuut rustig. Inmiddels zie ik auto’s, fietsers en rollators  door elkaar heen krioelen als mieren, tot er opnieuw een begint met toeteren.
De dappere vind al snel gehoor bij zijn mede mieren en een hels kabaal breekt los. De 2e auto rijdt eindelijk door maar zijn achtergebleven vriend blijft driftig gebaren maken en roepen; (ik citeer)“Godverdomme doe es rustig man! Ik ben toch op vakantie! Teringlijers! Kutfransen!”

 

Sinds deze dag begroet mijn vriend iedereen op de camping in zijn beste Frans; “bonjour en bonne soir”
Oui, j’adore la douce  et j’adooore les Français!

 

 

 

Tompoucen – juli 2009

 

Soms heb je zomaar ineens iets te vieren, je liefde blijkt nog leuker te zijn dan je dacht, de hond van je zus heeft negen pups, je moeder laat na 15 jaar voorzichtig de ophaalbrug naar haar hart weer eens zakken, je vriendin laat na 1,5 jaar voorzichtig  de ophaalbrug naar haar hart weer eens zakken of gewoon omdat het mooi weer is.

 

En dan gaat het bij mij kriebelen, tompoucen, ik ben dól op tompoucen. Iets met jeugdsentiment. Wanneer wij vroeger thuis iets te vieren hadden ging mijn moeder naar de bakker om de hoek, die tevens kaasboer was en één oog had dat altijd naar de (imaginaire) persoon rechts van je keek, om tompoucen te halen. Zo ging dat toen ik mijn A diploma haalde, mijn B diploma, mijn EHBO diploma én toen ik voor het eerst een „vrouw” werd, ik haatte mijn moeder op dat moment. (Ik heb 10 minuten zuchtend en steunend op de wc gezeten, daarover wellicht ooit meer)

 

Maar prikkend in mijn mierzoete diep roze tompouce was alles snel weer goed.

Toen ik dus op een willekeurige dinsdag niet al te lang geleden besloot dat ik iets te vieren
had ging ik op zoek naar tompoucen. En goeie tompoucen, maar echt goeie tompoucen zijn moeilijk te vinden kan ik u vertellen. Een tompouce moet namelijk twee knapperige bladerdeeg bladeren hebben, fuchsia roze glazuur en gevuld zijn met van die dikke gele vanille banketbakkersroom en absoluut nooit met slagroom!! Dus die vieze kleffe zooi van de HEMA (slagroom erin) en de AH (slagroom erop en vieze room erin) vallen al af. Om maar te zwijgen van die chemische toestanden uit de vriezer.


Dus men dient het te zoeken bij de kleine ondernemer, de (banket)bakker en dan nog verkopen ze lang niet bij elke bakker tompoucen. Toen ik bij de eerste bakker kwam vertelde hij mij dat ze op de eerste dag na het weekend nooit tompoucen hebben, ok kan ik inkomen, iedere dag chocopasta verveelt ook op den duur. De „ouderwetse” bakker „uit grootmoeders tijd” bleek nogal Engels georiënteerd dus wel scones, brownies en lemon pie maar geen tompoucen. Op naar de volgende bakker, daar lagen ze wél maar in een koelvak, wat ik al verdacht vond,  en de substantie tussen de bladerdeeg bladeren zag er verdacht wit uit…
Waarop ik het meisje achter de kassa vroeg wat er in de tompoucen zat waarop zij antwoordde;  „Gewoon slagroom volgens mij, zal t effe vragen”,  „Marloes! Wat zit er in die tompoucen, gewoon slagroom toch?” waarop Marloes van achter in de zaak terug schreeuwde;
„gewoon slagroom!” „Gewoon slagroom” zei het meisje tegen mij.
Ik haalde even diep adem en besloot geen betoog over het belang van de juiste room en de juiste glazuur tegen haar af te steken, daar het haar duidelijk aan een bepaald lichaamsdeel kon oxideren.


Beduusd fietste ik met lege handen naar huis, dan maar niks, want als je eenmaal je zinnen gezet hebt op een echte tompouce, kan daar geen taart of cake tegen op.

 

Peinzend over mijn kale kopje thee bedacht ik me dat ik misschien een bond tegen het uitsterven van de echte tompouce op moet richten. Ik weet zeker dat ik hier niet alleen in sta.
Er schijnen ook mooie anekdotes te zijn waarin een tompouce eten één van de geschiktheids  testen is waar aanstaande schoonzonen zich zonder kledingvlekken doorheen moeten slaan…

 

Word ik nou melancholisch? Ik ben binnenkort jarig dus wie weet, ach, hier droom ik al van sinds ik „vrouw” geworden ben. Heerlijk!

 

 

Lastig, existentiële overweging – februari 2009

 

Lastig,    
Moeilijk ook, absoluut maar toch vooral lastig. Moeilijk klinkt zo, zonder hoop, en er is altijd hoop, als er geen hoop is dan kan je maar beter meteen van een flatgebouw afspringen. Dus; Lastig.
Voor het eerst na zo’n 23 jaar op school te hebben gezeten, drieëntwintig jaar…
Ineens niet meer. Geen structuur, geen huiswerk, geen klasgenoten en vooral geen doel…
Dat doet me geen goed, dat mag u best van me weten. Dat dit een raar en onzeker vak was werd mij verteld maar zolang je op school zit zie je dat toch een beetje als „romantisch”, wat het absoluut is, maar wel lastig. Dat het zo onzeker is bewees de eerste week van september mij.


Ik heb net de hele gedetailleerde uitleg gewist, het heeft geen zin gal te spugen.
Ik heb geen zin om gal te spugen. Het komt erop neer dat alles wat ik voor dit seizoen had staan in een week allemaal afgeketst werd. Lastig! Maar goed, geen doel dus, of zo voelt het. Er zijn zoveel dingen die ik zou willen doen dat het me lam slaat. Of ik heb nog niet gevonden wat ik écht moet doen in dit leven. Waar ik écht gelukkig van wordt, van ga gloeien, want dat wil ik gloeien, stralen…
Dat het rilt en raast en zindert in mijn hart. „Vind het beroep dat bij je past en je zult geen dag meer werken” Aldus het orakel, Johan Hoogeboom, die ’m ook weer van iemand had gejat, maar het is wel waar. Ik weet het ook, alleen, ik weet nog niet hoe. Dat ik moet zingen staat als een enorme paal boven…
Maar waar, wat, hoe en met wie…
Er is nog enorm veel ruis in mijn hoofd en hart, en soms ineens zie ik het heel duidelijk voor me. Maar het moment dat ik het wil pakken is het weg. Maar het is er dus wel, het bestaat, misschien moet ik niet te hard zoeken, misschien moet ik iets minder willen en vertrouwen op, ja op wat? Zonder zweverig te worden, ik mag toch hopen dat er een soort van groot plan is daarboven. Want als dat er niet is, betekend dat dat álles mogelijk is? Dat je alles kunt worden wat je wilt zijn? Maar is het niet juist het doel jezelf te zijn/worden?
Lastig.
Maar niet zonder hoop

 

 

Waar is de Zon?....In de MUZIEK!! – juli 2008

 

PRRRRRRRRR Tromgeroffel…
KLENG!
En de eerste officiële afgestudeerde student van de Koningstheaterakademie in Den Bosch is;
…ja ik, hahhaa.
Nou moet ik er wel even bij zeggen, dat dit heugelijke feit na 2 minuten gedeeld werd met mijn goede vriendin Alice Rientjes even stralend en uitgeput als ik. En dat er velen ons natuurlijk voor gegaan zijn maar dan zonder offciëel afstudeer programma en zonder mooi papiertje. Dit grote feest vond plaats op 27 juni in een stampvol Koningstheater in Den Bosch, mijn programma stond als eerste en om iets over achten stond trillend als een rietje, quasi nonchalant te doen met mijn muzikanten op toneel. De zaal stroomde binnen en na een minuut of vijf hoor ik een hoop gescheld en mijn naam in de coulissen, zender vergeten aan te zetten en terwijl Martijn de technicus aan mijn zender zat te frummelen zag ik Andi en Eef zwetend rij nul uit het techniek hok halen, begeleid door een scheldkanonnade van Frank Verhallen de directeur die niet kon geloven dat er niet gecommuniceerd was dat rij nul verkocht was…
Een licht besmuikt lachje kon ik niet tegenhouden, snel gevolgd door een panisch „Wat nu?!!”
Mijn openingslied deed ik op een schommel die tijdens het repeteren al vervaarlijk dicht bij rij een kwam en nu zouden daar dus nog meer mensen zitten…
Gelukkig zag ik vanuit mijn ooghoek dat mijn familie plaatsnam en nou kan ik daar wel een potje breken, hoewel je natuurlijk hoopt dat iedereen zijn voortanden behoudt, zo’n onuitwisbare indruk hoefde ik nou ook weer niet achter te laten. Maar gelukkig ging alles net goed met het schommelen. De rest van de voorstelling vloog voorbij. Grote dank aan Andreas, Rolin, Joep, Anna en Felix. Er waren momenten die ik nog heel goed weet en daar heb ik van genoten, maar er waren absoluut momenten dat ik dacht: „Oh, zijn we al hier?”
Jammer vind ik dat altijd, maar dat is de vloek van eenmalig spelen, dus nu bid ik iedere avond voor een wonder. Iemand die zegt; „hey, jij bent toch dat meisje dat die prachtige voorstelling speelde?” „Ik?” zal ik dan zeggen terwijl mijn hart een slagje overslaat…
„Jazeker, zeg zou jij het niet leuk vinden om daarmee een kleine tour te doen?”
Ik zal óf flauwvallen óf heel koeltjes zeggen „Nou daar hoef ik geen seconde over na te denken, Hahahaaaa” En dan iets met een grote vreugdevolle rondedans. Maar vooralsnog is de toekomst een enge donkergroene jungle en heb ik maar een been, een halve arm en een blinddoek om op te varen. Men zegt dat dat de rest van je leven zo blijft dus ben ik druk bezig om van die jungle een prachtige bloemenzee te maken, met helder stromende riviertjes kwetterende vogeltjes en lachende kabouters en elfjes…
Zo maak ik mezelf ook al drie weken wijs dat het gemiddeld 30 graden buiten is met zo’n droge strelende bries en de sinasappelbomen bloeien. Het is hard werken en niets komt vanzelf maar…hoop vergaat niet, het smeult en je kan je er lelijk aan verbranden als je niet oppast
En dan was ik ook nog jarig en kreeg ik van mij moeder een bosje Lathyrus,
Zij zet daarmee de traditie voort die mijn opa, rust lieve, ooit begonnen is, hij gaf mij met mijn verjaardag ook altijd een bosje. Wat ruiken die kleine frêle bloempjes toch ongelooflijk lekker, mocht ik ooit sterven in de zomer dan in een bed met Lathyrus
En zo is een jaar weer rond, op naar de Boulevard en België!!

 

 

Geluk zit in knikkers – april 2008


Lente is onderweg, voelbaar onderweg, het trilt en zindert van de energie
Zelfs in de sneeuw twee weken geleden, maar misschien is dat omdat ik een klein gelukkig vrolijk dansend kind word van sneeuw. Ik reed terug van Doetinchem naar Den Bosch in de sneeuw, helemaal alleen, en wat je dan voor je ziet is een wit sprookjeslandschap en duizenden dartelende vlokken en in je achteruitkijkspiegel twee lijnen in datzelfde stille witte landschap, ik heb zelfs de radio uitgezet om van dit moment te genieten. En nu zit ik op zondagochtend met een beschuitje met aardbeien, heeft de zon zich de afgelopen week van haar beste kant laten zien en is het net of ik allemaal balletjes of knikker met een lach in me heb rondstuiteren.

Eind juni gaat het dan eindelijk gebeuren, we gaan afstuderen Alice Rientjes, Sanne Eggenkamp en ik, met ieder een eigen programma in het Koningstheater. Dat is natuurlijk veel te spannend allemaal en ik heb nog geen idee hoe dat eruit gaat zien, de ideëen vliegen nog alle kanten uit en iedere dag sta ik op met een nóg leuker plan…
Maar dat het bijzonder gaat worden dat is zeker.

En dan is daar eerst natuurlijk nog; Koninginnedag, met pianist Joep Hullegie ben ik een klein Queen programma aan het maken, hoewel klein, het fenomeen Freddie Mercury was natuurlijk alles behalve. Ik ben altijd al een groot fan geweest maar nu ik me opnieuw in zijn werk en leven aan het verdiepen ben realiseer ik me pas hoe… Ongelofelijk goed, onnavolgbaar, niet te evenaren en inspirerend die man was, ik kan er de woorden niet voor vinden wat het met me doet als ik hem zie optreden of hoor zingen, ik zou willen dat ik ze had maar… ga maar kijken, ga maar zoeken en geniet. Nu ik toch zo’n suikerzoet verhaal aan het schrijven ben moest ik denken aan een tekst die ik vorig jaar ergens in Mei geschreven heb. Ik was toen nóg blijer dan dat ik nu ben, ik was eigenlijk een beetje stiekem verliefd… Maar letterlijk stiekem want de heer in kwestie is verboden grond dus daar ga ik verder niet over vertellen… Lees maar;

 

IK JUBEL!!

Ik jubel! Bij het zien van een groep wilde ganzen in een weiland.
Ik Jubel! Bij het zien van groene malse velden, kersenbloesem in overdadige bloei, dartelende lammetjes.
Ik jubel! Bij het zien van die kleine gele bloemetjes in de berm, die kleine gele bolletjes, het zijn er echt heel veel, ik weet niet hoe ze heten, ik ga het opzoeken maar ik wordt er bijzonder vrolijk van. Ineens is alles prachtig mooi, elk dorp dat ik passeer is heerlijk pittoresk in plaats van onnoemelijk saai, zelfs de treurwilg lijkt te schaterlachen.
Ik zie een roestige veerpond liggen in de Maas en laat een traan, Ik jubel!!
Maar is dit nu omdat ik vannacht gekust ben door een pracht… een heerl… een fantast…
Door een man? Of heeft de goddelijke lente en daarmee het onvermijdelijke geluk toch weer een beetje bezit van mij genomen?
Ik dacht al waar blijf je nou?

 

 

Count your blessings, darling – januari 2008

 

Toch wonderlijk hoe een nieuw jaar altijd begint met een grote bom aan energie, goede voornemens en liefde. Het is een klein beetje lente alles is nieuw en pril, fris opeens lijken de mogelijkheden weer eindeloos en kan ieder pad bewandeld worden.
Ja, ook voor mij, hoewel de scepticus in mij gelijk heel hard schreeuwt: „Dat hou je niet vol” en voor je het weet zit je weer in de trage modderstroom die je zelf een depressie noemt en eigenlijk gewoon verwend zeuren heet maar; „Dit jaar wordt alles anders”,… nee dat geloof ik ook niet maar ik stort me er gewoon in. Heerlijk een nieuwe start, het is niet te geloven hoe vaak we een nieuwe start krijgen aangereikt en er eigenlijk niks mee doen, uit angst voor het onbekende, angst voor geluk?

Dat klinkt natuurlijk idioot maar toch, ik heb ooit voor mezelf besloten nooit meer te antwoorden dat het goed met me ging als dat niet zo was. Het was heel gemakkelijk om dat in mijn systeem te krijgen maar nu zeg ik nooit meer dat het goed met me gaat en dat vind ik eigenlijk ook onzin. Je hebt wel gelijk aandacht, en dat willen we, want dan komt de vraag „Oh, wat is er aan de hand dan?” We willen allemaal toch een klein beetje meer aandacht, maar dan èchte aandacht. En vragen hoe het met iemand gaat is toch meer een formaliteit dan een oprechte vraag. Dat wordt mijn goede voornemen denk ik, als ik het dan toch vraag dan ook echt luisteren naar het antwoord.

En vaker antwoorden dat het goed met me gaat, want dat gaat het. Een goede vriend van mij, hij woont nu in Lissabon, zei ooit tegen me „Count your blessings, Darling!” Ja, ook op zo’n toontje dat je het nooit meer vergeet. Zo komt hij nog wel eens door mij hoofd geschoten, en blijkt dat ik een heel gezegend mens ben.

Count your blessings. En dan is het spreekwoordelijke glas weer halfvol en de zon achter iedere wolk. Dan is het nieuwe jaar weer pril, vol energie, liefde en goede voornemens en dan zijn de mogelijkheden eindeloos en zal ieder pad bewandeld worden.

Een gezegend nieuw jaar

 

 

BELGIË… Is er leven op Pluto – septemer 2007

 

Als er iets is waar ik gelukkig van wordt dan is het toch wel België…
Om alles, de mensen, de taal, het bier, de treinen, de huizen, de klinkers, het feit dat de bomen in Antwerpen wel nog groen zijn en hier de herfst toch al zeker een heel been tussen de deur heeft staan waar hij daar af en toe om een hoekje komt gluren…

De laatste twee weken van augustus heb ik samen met mijn lieve vriendin Alice Rientjes, les gegeven aan Vlaamse pubers in het volstrekt onbekende Overpelt. Vlak bij Neerpelt… bij Hasselt in de buurt. We hebben ons daar „fantastisch geamuseerd”. Het is geweldig om een week zo intensief met een groep meiden in die leeftijd te werken. Alles is nieuw, alles is spannend, alles is liefde… we hebben ongelooflijk gelachen en uiteraard wat gehuild en wilden niet naar huis… op naar volgend jaar!

En dan, is inmiddels mijn laatste schooljaar aangebroken. Ik laveer tussen angst en een heel graag willen… angst omdat ik nu toch echt moet gaan bewijzen dat ik daar op dat podium hoor en willen… gewoon heel graag willen, alles lijkt me te inspireren mijn hoofd stroomt af en toe over maar het geluk heeft toch de overhand.
Het gaat een mooi jaar worden dat beloof ik u!

 

 

Omdat de kunst ons kleine bange hart kan laten zien
Waar het naar verlangt en sneller van gaat kloppen
Zodat het zachtjes trillend openbreekt en
In de zilte tranen of de lach
Zich vleien kan naast het jouwe
Hart aan hart onder de mensen
Minder eenzaam, minder bang
Voor dit moment
Het is
Daarom

Anita Uitde Haag, augustus 2007

 

Boulevaarwel – augustus 2007

 

Het is voorbij de Boulevard voor 2007, Huilen huilen en nog meer huilen want wat hebben we hard gewerkt met z’n allen maar vooral wat hebben we gelachen.
Voor wie er niet bij was, De afgelopen 10 dagen hebben; Bas Maree, Berit Compagnen, Alice Rientjes, Jelle Amersfoort, Anna Agren, Roel Dullaart, Sanne Eggenkamp, Mark van Rosmalen, Huibert Wilschut, Theo Verbruggen, Gerton Eykelkamp, Jurgen Burdorf, Arwin Bakker, Hugo den Oudsten met als gasten Gerard van Maasakkers, Raf Walschaerts en de Bram Vermeulen band, Roy Bakker, Jan Hautekiet, Wigbert van Lierde en Peter Wassenaar het hart van de Parade doen bonzen, beven, borrelen en breken.
In een enorme tent waar zo’n 300 man konden genieten van verschillende kindervoorstellingen, workshops, karaoke, 6 hommages aan Bram Vermeulen, 3 keer kleinkunstcarroussel en natuurlijk de avondslijkse Late Night Show met Theo.Ik heb verder niks meegekregen van het hele festival maar las gelukkig iedere ochtend in het Brabants Dagblad dat collega’s Willemijn Smeets en Marlijn Weerdenburg ook beloond werden met terecht lovende rescencies. Wel absoluut jammer dat ik ze live heb moeten missen, ik was ook erg benieuwd naar Syd’s Aarde over Syd Barret en Woyzeck van de Wetten van Kepler. Ik heb niet eens poffertjes kunnen eten!!!!

Maar genoeg over wat ik gemist heb, wat ik wel meegemaakt heb;
Het eerste week-end was het ongeveer 50 graden in de tent, ik vind dat altijd een hele geweldige ervaring, je staat met je halve ontbijt achter je kiezen een beetje te soundchecken en je hebt het gevoel dat er vocht komt uit plaatsen waarvan je niet wist dat je ze had. Maar een week later stonden we tot aan onze enkels in het water, de Parade stond blank en wij mochten onze laatste karaoke set doen. Er zijn foto’s van…

Dan brak mijn hart toen Raf en Gerard „As ge ooit” zongen in de late night show.
En Gerard in de Bram Hommage die „Vertrek” (Alseblieft) zingt, staat in mijn ziel geëtst.
Wat heeft die man een stem, een hart en die ogen!
En Berit Compagnen groeide per dag zo’n 10 centimeter denk ik, met als hoogetepunt haar collumn over Bokito…hulde hulde aan de vrouw.

Zelf kreeg ik de eer om 4 keer solo te mogen in de Late Night Show, hulde aan Jelle’s band…Ik zong Amsterdam met zes!! Mannen achter me die beukten alsof hun leven ervan afhing en stil waren bij een kleine beweging van mijn hand. Hulde ook aan Huibert die zonder mij te kunnen zien me begeleidde bij ‘Je suis Malade’ elke minime pauze volgde…

Verder zijn we de laatste avond onze Duitse technicus kwijtgeraakt, naar eigen zeggen is hij in slaap gevallen in de auto toen hij z’n slaapzak ging pakken… tuurlijk Andi

En Anita heeft een fantastisch antwoord geschreven op de ‘tien wijze woorden van’Geert Overdam. Zie hierboven

En kunnen we ons met z’n allen niet meer anoniem in de Krabbedoes vertonen maardat geeft niet, het voelt als thuiskomen.

Ja dames en heren, het was fantastisch… en ik huil weer.

Op naar Vlaanderen, ik ga twee weken lesgeven daar krijg ik altijd weer zoveel energie van…
Nieuws volgt…